Antonio Grietsoot

 

De legers waren in die dagen zeer mobiel. Vrouwen en kinderen trokken met de garnizoenen mee, zodat de kinde­ren uit één gezin op allemaal verschillende plaatsen werden gedoopt, soms zelfs in verschillende landen. Ongehuwde vrouwen trokken mee als wasvrouw, ventster, hande­laarster, naaister of prostituee. Bij gebrek aan eerbare arbeid dreigden veel meisjes in deze laatste branche terecht te komen. Breda behoorde in die tijd tot de meest strategisch liggende plaatsen van West-Brabant. Zij kon dienen als beveiliging voor Dordrecht en daarmee als zekerstelling voor het vrijgevochten deel van de toekomstige Republiek. Daarenboven zal de verovering van Breda een belangrijke uitbreiding van het Staatse grondgebied naar het zuiden betekenen. Philips II van Spanje steunde de Katholieken, vooral in Pa­rijs, tegen de eerste koning uit het huis van Bourbon; Hendrik IV o.a. door Parma uit de Zuidelijke Nederlanden met een sterk leger naar Noord-Frankrijk te sturen. Doch juist verzwakte de posi­tie van de Spanjaarden in Neder­land. Twee maanden na het verlies van Breda op 21 augustus 1581 schreef Willem van Oranje een brief aan von Hohenlohe. Deze luidt: “Ik heb met genoegen vernomen dat U met enige personen in Breda goede contacten onderhoudt: indien U ervoor zou kunnen zorgen dat de waterpoort van het kasteel en de boom, die zich iets voor de waterpoort bevindt, in een donkere nacht open zouden zijn, ik twijfel er niet aan dat men een manier zal vinden om met schepen in het kasteel te komen. De wacht moet echter op onze hand zijn en men moet de tijd zodanig schatten, dat men bij hoogwater door de waterpoort komt. Dit heb ik U al enige tijd willen schrijven, opdat U daaraan denkt”. Het plan is er nu, dus zoekt Maurits in de zomer van 1589 naar een schip om het plan nader in te vullen en uit te kunnen voeren. Hij stuit daarbij op de turfschippers. Willem van Bergen en Adriaan van Bergen uit Leur (nu gemeente Etten-Leur)  blijken ervaren schipper te zijn, die hen tot in nauwkeurigheden kan voorlichten en die een boot heeft die groot genoeg is om een aantal soldaten te vervoeren. Daar komt nog bij, dat hij nog in het afgelopen jaar viermaal turf had geleverd aan de bezetting van het kasteel. Hij kende dus ook de plaatselijke gesteldheid en wist waar men de komende zending wilde opstapelen. Hij stelt aan zijn raadspensionaris, leidsman en landsadvocaat van Holland die in deze tijd de politiek van de Nederlandse Opstandelingen beheersten, Johan van Oldebarneveld voor om met soldaten het kasteel van Breda binnen te smokkelen onder een lading turf. Zij waren de vaste leverancier van turf voor de bezetting van het kasteel en hij gaf de schippers zwijggeld. Bij het zoeken van een bevelhebber voor de troepen die zich aan boord van het schip zouden gaan geeft de stem van Johan van Oldebarnevelt de doorslag. Maurits stelt voor één van zijn neven, Philips van Nassau, mee te sturen, maar Johan van Oldebarnevelt vindt hem echter te jong en onervaren. Bovendien acht hij deelname aan een dergelijke riskante actie door iemand uit de familie van de prins onverantwoord. Hij kiest voor Charles de Héraugière, een Kamerrijks edelman die zich in diverse krijgssituaties heeft onderscheiden. Willem Lode­wijk was in 1590 vanuit zijn stadhouderlijke residentie Leeuwarden naar Den-Haag gereisd om de Staten ervan te overtuigen dat ze in de aanval moesten gaan. Het was nu: " Den rechten tijdt, om te trachten, dat de vijandt over Rhijn ende Maas gedreven ende alles, aen d'Oost­ sijde vann de stroomen gelegen, van den oorlogh gevrijdt mochte werden...die versuymenis van welcke gelegenhe­ijdt nimmermeer zoude zijn te verantwoorden bij onse nacome­lingen". Willem Lodewijks pleidooi vond gehoor in de Staten en Maurits ging op het voorstel in. In het diepste geheim – slechts een paar topadviseurs zijn op de hoogte – wordt bepaald hoe het schip geladen zal gaat worden en hoe de aanslag op het kasteel zich zal gaan voltrekken. Een factor blijft onzeker: het tijdstip van een nieuwe bestelling van turf voor het kasteel is niet bekend en dient afgewacht te worden. Deze onzekerheid biedt de plannenmakers echter wél de tijd om de zaken goed voor te bereiden. Terwijl Fhilipp von Hohemlohe de opdracht krijgt om zoveel mogelijk voetvolk en ruiterij gereed te houden, wordt Héraugière op 23 oktober 1589 met zijn compagnie gelegerd in het kasteel van Zevenbergen. Daar lost hij kapitein Barnevelt af, die naar het fort Noordam vertrekt. Von Hohenlohe heeft zijn hoofdkwartier in Klundert, terwijl de opgestelde plannen Zevenbergen als uitvalsbasis voor ruiterij en voetvolk dient bij de aanval. Om redenen van geheimhouding vinden de voorbereidingen, zoals de vertimmering van het schip, plaats in Zevenbergen en niet in Klundert, waar zich het grootste gedeelte van de troepen, immers alle ruiterij en voetvolk van von Hohenlohe bevindt. Inmiddels is de winter ingevallen. Het is een strenge winter en de omstandigheden waaronder gewerkt moest worden, waren dan ook slecht. Iedereen wachtte nu op het signaal dat de operatie van start kon gaan. De Vestingwerken is nog uiterst eenvoudig vergeleken met later. Ze bestond uit een aarden wal, waarbuiten geschutplatforms - bakstenen blokhuizen - uitstaken. Het uiterlijk werd toen sterk bepaald door de werken die graaf Hendrik III van Nassau in het begin van de zestiende eeuw liet uitvoeren. Hij liet de Grote Kerk vergroten. Hij begon de bouw van een nieuw paleis en liet een omwalling rond de stad aanleggen. Het Bredase garnizoen bestaat op dat moment, behalve uit zes compagnieën burgers, uit vijf vendels, merendeels Italianen. Op het kasteel is het vendel van Paolo Antonio gelegerd, bestaande uit hoogstens vijftig man. Het moment was aangebroken om het tij te doen keren, met inzet van alle krachten. Kort voor 23 februari 1590 komt het verlossende bericht dat er een nieuwe levering van turf, bestemd voor het kasteel, aanstaande is. Maurits vertrekt direct naar Dordrecht, waar hij de andere dag door zijn hellebaardiers en bagage gevolgd wordt. Omdat de bewegingen van de prins vanzelfsprekend ook door de spionnen van zijn Spaanse tegenstanders nauwlettend wordt gevolgd, wordt het gerucht verspreid dat hij naar Gorinchem, waar graaf Philips van Nassau gouverneur is, op weg is. In de avond van zondag 25 februari 1590 staat Charles de Héraugière met zeventig manschappen klaar bij inschepingsplaats het Zwartenbergse veer. Ter voorbereiding van de aanval, die nu zeer nabij is, trekken delen van de ruiterij en het voetvolk van Von Hohenlohe zich vanuit Klundert in Zevenbergen samen. Zij worden voor dat laatste paar dagen her en der, onder meer in de kerk en in de herberg ingekwartierd. De eerste poging van deze groep, overwegend jonge mannen, om scheep te gaan, op de avond van 25 februari om tien uur, strandt daar de schipper zich versliep en kwam pas opdagen toen de mannen al terugkeerden. De volgende avond probeerden zij het opnieuw. De schipper durfde de onderneming niet meer aan en liet andermaal verstek gaan, maar twee neven van hem namen de taak over. Het schip zal de bemanning oppikken aan de noordelijke oever van de Mark, vóór de bocht die de rivier ter plaatse maakt en op ruime afstand van de samenstroming van Mark en de Leurse vaart. Hoewel de inscheping de dag er op volgens plan verloopt, verhinderd de lage waterstand op de rivier gedurende drie dagen de afvaart van het schip. Het ongemak wordt vergroot door de opnieuw invallende vorst. Besloten wordt om te wachten tot de omstandigheden gunstiger zijn. De aanval wordt voorlopig afgeblazen en een gedeelte van de in Zevenbergen al verzamelde ruiterij keert tijdelijk terug naar Klundert. Vanwege het barre weer en een fikse tegenwind kwam het schip nauwelijks vooruit. In de nacht van vrijdag 2 op zaterdag 3 maart is het dan eindelijk zover. De tocht begint voorspoedig en al de volgende dag op 4 maart 1590 tussen twee en drie uur s’middags vaart het schip door de laatste boom bij het Reigersbos, die dadelijk achter het schip gesloten wordt. Soldaat Matthijs Helt begon zo verschrikkelijk te hoesten, dat hij zijn dolk trok en zijn vrienden voorstelde hem te doorsteken als hij zijn hoest niet meer kon bedwingen. Na een vluchtige inspectie door een Italiaanse korporaal, die niets bijzonders aan het schip met de op het kasteel zo lang verwachte brandstof opmerkt, ligt niets de binnenvaart van het schip in de slotgracht van Breda meer in de weg. Er moest alleen nog gewacht worden op de vloed, alvorens de smalle waterpoort aan de noordwestkant van het kasteelterrein binnengevaren kan worden. De 80-jarige oorlog was nog aan de gang. De avond viel en in de stad vierde men vastenavond. De Italiaanse bezet­ting van het Kasteel had een zodanig gebrek aan turf, dat men direct begon te lossen. De schippersknecht stond ondertus­sen uit alle macht te pompen en te zingen om elk verdacht geluid uit het ruim te overstemmen. Een flinke buidel drinkgeld en het lossen gaat zo snel, dat de verstekelingen aan boord van het turfschip het – ondanks de kou – steeds benauwder beginnen te krijgen. Het licht komt immers door de naden van de luiken al naar binnen. Schipper van Bergen ziet ook dit gevaar en grijpt in: met een flinke buidel drinkgeld en de smoes dat de schipper moe was, stuurt hij de soldaten die hier wel oren naar hebben, weg met de mededeling dat de rest de volgende dag wel gelost kan worden en dat de beste turf onderin zit. De wachtmeester – ook liever lui dan moe en met de vastenavond al in gedachten – gaat hiermee akkoord, op voorwaarde dat aan boord slechts één schipper mag achterblijven. Daarvan maakt één van de schippers gebruik om in de carnavalsdrukte de stad te verlaten en de prins te gaan waarschuwen dat het schip binnen is en dat de aanval na middernacht een aanvang zal nemen. Het wachten op de nacht duurt lang, zeker voor van Bergen, die uit alle macht moet pompen om het gehoest te overstemmen. Om twaalf uur s’nachts is het echter zover. Terwijl de wacht bij het schip ligt te slapen en de hele stad carnaval viert, klimmen de soldaten één voor één uit de boot. De groep wordt door Héraugière in tweeën gedeeld. Jean Fernez en Charles Lambert en hun mannen krijgen als taak het wachten bij het noordwestelijk bastion en bij de haven uit te schakelen. Héraugière gaat met de rest van de groep op weg naar de buitenpoort om zich van de toegang tot de stad te verzekeren. Ook moet de poort afdoende beveiligd worden tegen aanvallen vanuit de stad. Onderweg zullen ook nog enige wachten uitgeschakeld moeten worden. De verdere inname van de stad zal worden overgelaten  aan ruiterij en voetvolk van von Hohenlohe, die inmiddels vlak buiten Breda gereed staan. Schipper van Bergen, wiens taak erop zit, bemoeit zich niet met de strijd. Hij heeft nog maar één doel en dat is de komende nacht ongeschonden door te komen. De groep van Héraugière is nog maar net op weg of men stuit al op een vijandelijke soldaat. Deze Italiaan, hoogstwaarschijnlijk op weg om wat turf van het schip te gappen om de nacht wat warmer door te komen, schrikt bij het zien van zoveel onverwachte, zwaar bewapende soldaten, waarschijnlijk net zo hard als Héraugière en zijn mannen. Deze laatste herstellen zich echter sneller. Op het benepen ‘Qui va la?’ van de Italiaan antwoorden de aanvallers met gevangenneming van de Italiaan. Bij de daaropvolgende ondervraging blijkt echter dat de arme man te onnozel is om inzicht te geven in de troepensterkte op het kasteel en maar wat schermt met getallen. Men besluit de man om het leven te brengen aangezien de kans op vroegtijdige ontdekking anders te groot is. Kort hierna blijkt dat het leed al geschied is. De wacht is gealarmeerd en verschuilt zich in de beide wachthuizen aan weerszijden van de poort. Een vendrig doet een snelle uitval naar Héraugière en verwond hem in de arm. Na een kort tweegevecht wordt ook hij onschadelijk gemaakt. Met de wacht binnen wordt ook op weinig barmhartige wijze afgerekend. Door de ramen heen worden alle soldaten die zich in de wachthuizen hebben verschanst botweg neergeschoten. Lanciavecchia – die inmiddels ook gealarmeerd is –  vlucht het kasteel in met enige van zijn soldaten, gevolgd door Lambert en Fernez die – na het onschadelijk maken van alle wachten – op weg zijn naar de buitenpoort. Lambert en Fernez zijn net weer samengekomen nadat zij – na het uitschakelen van de wacht bij het noordwestelijk bastion – hun groep gesplitst hadden om ieder een deel van het kasteelterrein te zuiveren. Lanciavecchia doet hierop met 36 man een wanhopige uitval uit het kasteel. Deze uitval wordt door beide Staatse officieren en hun troepen opgevangen en Lanciavecchia wordt – na verwond te zijn – teruggedreven in het kasteel.  Ook Fernez raakt bij deze actie gewond. Aan de vastenavondvreugde in de stad is inmiddels een abrupt einde gekomen. Het schieten is gehoord en plezier maakt plaats voor alarm en paniek. Vanuit de stad wordt geprobeerd door de buitenpoort het kasteelterrein binnen te dringen om de aanvallers – die niet echt welkom zijn – terug te dringen. Met een krachtig musketvuur vanaf het galerei lukt het Héraugière de poort te ontzetten. Het blijft voor de verdedigers van de stad bij een mislukte poging om de poort in brand te steken. Paolo Antonio Lanciavecchia – die zich nog steeds met een handvol soldaten verschanst houdt in het kasteel – besluit dan om eieren voor zijn geld te kiezen. Na enig onderhandelen met Héraugière weet hij een vrije aftocht voor zichzelf en voor zijn mannen te regelen. Dit gaat vanzelfsprekend niet voor niets. Geheel in de geest van de tijd eist en krijgt Héraugière in ruil voor zijn genade een flink losgeld. Daarnaast valt hem ook een grote voorraad ruiterrokken met zilveren oplegsels ten deel. Lanciavecchia is echter veel te blij dat hij het er levend vanaf brengt om zich zorgen te maken over dit materiële verlies. Hij kiest dan ook snel het hazenpad. Dat Lanciavecchia de juiste beslissing heeft genomen blijkt wel uit het feit dat er op dat moment al 37 van zijn soldaten in de gevechten het leven hebben verloren. Héraugière gaat bijzonder meedogenloos te werk en neemt kennelijk geen enkel risico. Aan staatse zijde is slechts één slachtoffer gevallen. Hans van den Bosch, een soldaat uit de eenheid van Jean de Fernez was al bij het verlaten van het schip te water geraakt en verdronken. Daarnaast zijn er aan beide zijden enige gewonden. De overval met het turfschip mag een groot succes worden genoemd. De inname van de stad is het volgende doel. Om twee uur s’nachts staat Von Hohenlohe al voor de veldpoort aan de noordzijde van het kasteel met de voorhoede van de ruiterij. Daar deze poort dichtgevroren is, moet er via de wal uitgeweken worden naar de waterpoort bij het Kraaienbos. Daar slaagt men erin om een opening in de palissadering te maken waardoor de troepen moeizaam naar binnen kunnen. Onder muzikale begeleiding van trompetters die het Wilhelmus blazen maakt later die nacht, als de situatie onder controle is, ook Maurits zijn entree op het kasteelterrein. Behalve zijn onderbevelhebbers en de rest van zijn troepen, bevinden in zijn gevolg onder meer de graven Willem Lodewijk van Nassau en van Solms; Justinus van Nassau, de in Breda geboren bastaardbroer van de prins, Sir Francis Vere, engelse legeraanvoerder Christiaan Huygens en Michiel Piggen. Met de omvang van de Krijgsmacht van de prins valt het wel mee: in totaal nemen niet meer dan 4600 man voetvolk en 240 ruiters aan de actie deel. Hadden de Italiaanse bezetters van de stad dat geweten, dan was het misschien nog tot gevechten in de stad gekomen en zou het er voor Héraugière en zijn mannen heel wat minder florissant hebben uitgezien. Nu is het bij een mislukte poging – om de poort van het kasteel in brand te steken – gebleven. Hierna houden de Zuid-Europeanen het voor gezien. In volslagen paniek – wellicht bevorderd  door de op deze carnavalsavond ingenomen consumpties – vluchten hele vendels de stad uit. Dit tot grote woede van de achtergebleven burgers, die graag zou zien dat de door hun betaalde penningen voor het garnizoen omgezet zouden worden in enig verweer tegen de invallers, al was het alleen maar om betere voorwaarden bij de overgave te kunnen bedingen. Nu worden de burgers geconfronteerd met een dreigende plundering op grote schaal door de nieuwe bezetters. Het stadsbestuur – dat zich de wrede plundering na de inname van de stad door de Spanjaarden in 1581 nog maar al te goed kan herinneren – haast zich om in onderhandeling te komen met Maurits. Deze onderhandelaars komen met de benauwde regenten overeen dat de plundering kan worden afgekocht door het betalen van twee maanden soldij voor alle militairen die aan de actie hebben deelgenomen. Dit komt overeen met een bedrag van ongeveer 16.000 gulden. Vooralsnog lijkt dit een redelijk bedrag, doch onder invloed van steeds meer gegadigden van onredelijke eisen van met muiterij dreigende soldaten en evenzeer op geld beluste officieren loopt dit bedrag in de daaropvolgende tijd op tot 97.074 gulden. Een onmogelijke eis. Zo hoog is dit bedrag, dat een plundering de stad nauwelijks harder zou kunnen treffen. Later zal dan ook een regeling worden getroffen, waarbij de Staten-Generaal toezeggen een deel van de afkoopsom voor hun rekening te zullen nemen. De tweede eis van Maurits die de regenten inwilligen, is dat de stad zoveel compagnieën bezettingstroepen in garnizoen zal nemen als de prins nodig acht. Ook dat zal later stevig op de stadsrekening drukken. De Italiaanse troepen wisten een vrije aftocht te verkrijgen en Breda was weer in handen van Oranje. Met vuurpotten wordt ‘gevierd voor de victorie van het veroveren dezer stad’. Ook elders in de Staatse gebieden vinden festiviteiten plaats. In Utrecht laaien de vreugdevuren zo hoog op, dat de Domtoren in brand vliegt. Op vele plaatsen worden de klokken geluid en vinden dankdiensten plaats. Met geschenken wordt door de regenten in Breda flink uitgepakt. Héraugière krijgt – behalve belave allerlei tinnen vaatwerk – een verguld zilveren model van het turfschip, twee zilveren pronkschalen, een aam wijn en een serviesgeld van 800 gulden per jaar. Maurits en Van Hohenlohe, krijgen ieder een hoeveelheid wijn cadeau, terwijl Van Hohenlohe tien jaar later nog eens een zilveren pronkschaal zal krijgen. Johan van Oldebarneveld – één van de geestelijke vaders van de operatie – wordt met een fraaie coupe-tasse bedacht waarop de gebeurtenis zelf in drijfwerk is afgebeeld. Voor de schippers is er aan een aangepast eerbetoon gedacht. Hen valt een door de stad betaald gelag in de Roode Leeuw ten deel. Daar blijft het voor de Van Bergens niet bij, want naast diverse andere financiële beloningen, krijgt Adriaan van Bergen een jaargeld van driehonderd pond. Dit waarschijnlijk vanwege het feit dat het zijn schip is dat bij de actie gebruikt is en dat niet meer bruikbaar is. Tevens krijgt hij vrijstelling van alle belasting op vergunningen van de plaatselijke overheid. De neven Willem en Adriaan-Jacobsen van Bergen moeten het doen met ieder 150 pond per jaar. Het jaargeld van Willem zal in 1601 worden verhoogd tot 200 pond. De andere Adriaan – die halverwege de operatie afgehaakt is – krijgt toch nog een eenmalig bedrag van 50 pond. Drie bevelhebbers van het Bredase garnizoen werden in Brussel onthoofd omdat ze de vesting zo slecht hadden verdedigd. De jonge commandant Paulo Antonio Lanciavecchia - zoon van de gouverneur Odoarddo Lanciavecchia - ontliep de doodstraf vanwege zijn hoge adellijke afkomst en zijn jeugd. Maurits had zich definitief bewezen als Krijgsman. Zo kon Breda zonder veel bloedvergieten heroverd worden. Antonio 'Grietsoot" bevond zich onder de verdedigers van het Kasteel. Het had weinig zin ze krijgsgevangenen te nemen. Dat kostte alleen maar geld. Hun onderdak bij de Bredase burgerij was natuur­lijk meteen afgelopen. Daar stonden ze met vrouw en kinderen. Terug naar Italië? Dat is nogal een onderneming vanuit Breda met een gezin. Soldaat was zijn beroep. Het is dus waarschijnlijk ­dat ze zich verhuurd hebben aan het leger van Prins Maurits. Looys (spreek uit: Loowies) Grietsoot was toen een jaar of 13.  Wanneer hij trouwt dient hij onder Kapi­tein Marquette, een familie waarvan bekend is dat latere telgen in ieder geval dienden in het Staatse leger.

 

Terug