44.

 

Jacobus Griekspoor

 

Jacobus (28.10) kwam als negenjarige jongen met zijn vader, moeder, broers en zusters vermoedelijk tussen  2-10-1855 en 2-7-1857 van de Lage-Zwaluwe naar de Haarlemmermeer met de trekschuit. Ze moesten maanden voedsel meenemen, want zo'n reis met de trekschuit duurde lang. Naast de sloot liep het zogenaamde Jaagpad. In de Haarlemmermeer was men, toen zij ca.1856 aankwamen, bezig met het bouw-en vruchtrijp maken van de grond. Het droogleggen was reeds in 1852 begonnen, terwijl het in 1862 voor al het toen bestaande verkeer droog en begaanbaar was. Jacobus woonde nu in het huis van zijn vader 't Kabel 67 te Nieuw-Vennep. Op dit huis stond een leeuwenkop, die uit de Zwaluwe meekwam, van ca. 1x1x1 meter. Dit huis brandde in 1911 geheel af door vermoedelijke brandstich­ting. Jacobus had een lap grond bemachtigd voor zijn groenten en aardappels te kunnen telen. Deze lap grond lag langs de spoorlijn van Haarlem via het spoorhuis van Nieuw-Vennep, naar Leiden. Het was niet bij het huis gelegen en men moest door 't Kabel de Sloterweg (nu Rijnlanderweg) in en zo kwam je bij de spoorwegovergang. De trekschuit uit Zwaluwe werd nu ge­bruikt om de groente en aardappels naar de klanten te brengen. De stoomtrein deed dienst om de boeren gelegenheid te geven om donder­dags naar de veemarkt in Leiden te gaan. Later werd daarvoor in de Haarlemmermeer zelf een plein gebruikt;  het Marktplein in Hoofddorp. Jacobus had zijn zoon Adriaan wijsge­maakt, dat de kinderen uit de rode kool kwamen, waarop Adriaan alle geplante rode kolen opensneed, om te kijken of er kinde­ren in zaten. Jacobus had een dochter Jans (Johanna-Adriana) die heel slecht kon zien en Wilhelmina waarschijnlijk Reuma had, omdat ze krom en kort liep. Behalve telen kon Jacobus ook goed krozen en leerde dit aan zijn zonen. Adriaan kon dit zeer goed, want op een dag kwam iemand van de gemeente naar hem toe om te vragen of hij voor de gemeente wilde krozen. Een ander had het geprobeerd en niet aangekund. 't Kabel was een smal en lang modderig weggetje, als een buitenwijkje van Nieuw-Vennep. Het was daarom zeer slecht begaanbaar. Het bagger-en grondwerk werd gedaan door mensen met doorzettingsvermogen en spieren. Men werkte toen nog 14 uur per dag; van ’s morgens

5 uur tot 's avonds 9 uur.

 

 

 

Terug